Margreet (uit Dagboek van een Zeilinstructeur)

De man die zich heeft voorgesteld als Luuk kijkt verwachtingsvol de kajuit rond.
“Ik kom om mijn reisvoorbereiding te verbeteren. Planning, getijden, weerinformatie. Van die dingen.”

“Hm, heel goed. We zullen je weinig aan dek zien. En jullie?” vraag ik de Luuks jongens, Fred en Hein. Fred grijnst. “Dekwerk. Stoeien met voorzeilen en zo.” Iedereen lacht, een beetje onwennig nog, maar toch een goed begin.

Ik wend me tot de kleine blonde vrouw van middelbare leeftijd, die alleen is gekomen, Margreet. Ze lijkt wat teruggetrokken. “Margreet, wat is jouw doel voor deze dagen?” Margreet vouwt haar handen ineen alsof ze bidt en kijkt het gezelschap rond. “Ik vaar al jaren met mijn man. We hebben een groot toerjacht. Frans stuurt en doet alles met de zeilen, ik navigeer en help met de landvasten. Dat gaat tot nu toe altijd goed.” Ze gaat even verzitten.

“Maar sinds vorig jaar vind ik het niet veilig meer. Hij is niet honderd procent en als hij iets krijgt, kan ik de boot niet alleen zeilen.” Ze recht haar rug. “Ik moet leren omgaan met die boot. Ik moet zelf beslissingen leren nemen, zoals ik dat ook in het gewone leven doe. Maar ik heb moeite met de wind, waar die vandaan komt, waar de zeilen moeten staan. Manoeuvres. Ik wil ze begrijpen.” Ze valt stil. Niemand zegt wat. Dan glimlacht ze vastberaden, richt haar blauwe ogen op mij en zegt: “Dat is mijn leerdoel.”

Na vier dagen loopt veel op rolletjes. Luuk stoeit met kaarten en almanakken, maakt schema’s en lijsten, bepaalt goeddeels het rytme van vertrek en aankomst. We zeilen naar Antwerpen en terug en buitenom naar Roompot en de Hoek. Af en toe geeft hij een foute koers door of krijgen we stroom mee waar die volgens hem tegen had moeten staan of omgekeerd. Dan duikt hij in de boeken tot zijn misrekening boven water is en hij triomfantelijk komt laten zien dat de werkelijkheid toch klopt met de almanak. De jongens reven en ontreven, zetten en strijken de genaker, spelen met bulletalies en landvasten en maken elke knoop uit het boekje. Aan de wind vind je ze in het gangboord met hun benen buitenboord, geinend en pestend en theoretiserend over de volmaakte ‘rolltack’.

Margreet stuurt veel en lang. Ze werkt. Haar gezicht verraadt haar moeite met het verband tussen de regels van het zeilen en de beweging van die watervlugge boot onder haar voeten. Onze 40-voeter geeft haar geen tijd. Nog voor ze bedenkt waar loef is en hoe je oploeft, heeft de boot al gereageerd op een golf of vlaag. Dan slaat verwarring toe en daarmee de onzekerheid: Ik stuurde toch zo, waarom deed het schip dan zus terwijl de theorie..?

Ik laat haar zaagtanden zeilen tussen boeien, rode aan stuurboord, groene aan bakboord: gijpen, wenden. Tussen twee manoeuvres prevelt ze definities: een gijp is voor de wind zeilen – de fok stort in – dan een koersverandering naar lij… dat is waar het grootzeil staat. Ze zet zich mentaal schrap. Ik moet het begrijpen, ik moet! “Klaar voor de gijp?” Ze zegt het timide, alsof ze er nog op terug kan komen, zich indekt voor een fout. “Mag best harder hoor, Margreet.” Ze bijt even op haar onderlip. “Gijp!” Ze draait aan het stuurwiel… Deze keer naar de goede kant. Maar soms naar de verkeerde. Ontreddering. ’s Avonds duikt ze weer in de theorie, want ze moet en zal.

De volgende ochtend liggen we in het aanvoerkanaal van Middelharnis. Alles is nat van de dauw. De bomen hebben nog bladeren, die ruisen op een koude noordenwind. De laatste dag van onze tocht. Ik sta op het voordek en roep Margreet. “Margreet, vandaag wil ik met je blind zeilen.” Ze kijkt gealarmeerd.

“Nee, het is volkomen onschuldig, je zult zien, het is leuk. Doe je ogen dicht, je neus is de boeg van de boot, voel waar de wind op je gezicht blaast, wat bepaalt hoe je stuurt. Geen bestemming, geen doel, alleen de windrichting en hoe de zeilen staan. Sluit je ogen maar. Mag ik je vasthouden bij je schouders? Waar voel je de wind nu? Van links. Waar zou je zeil nu staan? Goed. Nu gaan we overstag…”

Ze aarzelt, maar draait haar neus door de wind. Opnieuw overstag. Dan een gijp. Vroege wandelaars op de dijk stoppen tot ongenoegen van hun hondjes en staren naar ons heidens ritueel.

Buiten zetten Fred en Hein alleen het grootzeil. Er waait een ideale windkracht drie. Margreet, zenuwachtig, staat achter het grote wiel. Gretig neemt ze de omgeving nog eenmaal in haar op.
“Mag ik, Margreet?” Ik trek haar rode muts over haar ogen. Ze verstijft, haar handen verkrampen om het wiel. Ik raak haar schouder aan.

“Heus, er kan niets gebeuren, ik let wel op, we hebben alle ruimte, vergeet alles behalve de wind. Waar voel je die op je gezicht? Rechts? Loef dan eens op tot je het zeil hoort klapperen… Hoor je? Nu weer terug tot het geklapper stopt. Zo… en waar voel je de wind?”

Margreet begint te spelen. Loeven, vallen, overstag en weer overstag. Ze valt af… en valt… haar haren waaien naar voren rond haar gezicht. Ze roept “Gijp!”

De giek komt over, ze schrikt even, maar meteen is er weer concentratie. Ze houdt haar hoofd schuin om beter te luisteren, geconcentreerd, gespannen, maar zonder zorg. Ze is de koelte op haar wangen, de werveling rond haar oren, de prikkeling van haar hoofdhuid. Ze is het trommelvel dat trilt als het zeil kilt of de schoot rammelt. Ze is in het land der blinden waar informatie anders tot je komt…

“Hé Margreet, kom je bij ons terug?” Ik raak haar schouder aan en sla voorzichtig haar muts omhoog.
“Welkom terug in onze wereld.” Margreet kijkt verwilderd, net wakker uit een droom. “Sorry” zegt ze, “ik was helemaal weg… Ik heb het gevoeld… er was alleen maar gevoel, ik zat er helemaal in. Geen theorie, alleen maar …”

Dan lopen de tranen over haar wangen. Emotie komt als een ontlading over haar heen. Onthutst pak ik met een hand het stuurwiel en sla een arm om haar heen. De anderen kijken verbaasd toe, uit respect of begrip of beide, dat weet ik niet.

’s Avonds in Willemstad houdt een man me staande op de steiger. Mark, de man van Margreet, een reus. Hij bukt zich tot hij mij recht in de ogen kan kijken, pakt met beide handen mijn hand, drukt die lang en zegt: “Ik wil je bedanken wat je voor mij en Margreet hebt gedaan. Theorie, regeltjes, het zal wel, je hebt haar zeilgevoel bevrijd. Wij gaan anders zeilen. Heel gelukkig. Dank je wel.”

Hij blijft mijn hand maar vasthouden en ik raak wat ongemakkelijk. Zoveel lof komt me niet toe. “Heus” zeg ik, “ik was het niet, ze was het zelf. En het water. En de wind. Het was de wind.”