Goed doen

Goed doen

Hoe doe je ‘goed’? Wat is ‘goed’? Een tijdje geleden at ik in een restaurant met twee jongedames die me ernstig aankeken en beweerden dat ze geen idee hadden wat goed was. Je kon iets doen met de beste bedoelingen en grote schade aanrichten en evengoed welzijn verspreiden door egoïstisch en immoreel handelen. Of ik soms wist wat ‘goed’ was? En waarom ik ineens zo boos keek? Of ze me soms van streek hadden gemaakt met die vraag?

Ik lees in de krant een uitspraak van Nelleke Nicolai, psychotherapeute: “Een sociale gemeenschap functioneert door insluiten en uitsluiten”.
Wonderlijk hoe zo’n simpele zin een golf van herinneringen oproept. Herinneringen aan mijn gevangenisjaren, aan de reacties van gevangenen op hun uitsluiting. De meerderheid zocht zijn heil in een alternatieve gemeenschap van bewuste ‘outcasts’: de maatschappij is slecht, spuugt ons uit, wij spugen op haar en het recht. Een insluiting in een insluiting. Een kloof in een kloof.

Ineens staan ze als oud vuil weer ‘buiten’, een idiote overgang, een wedergeboorte tegen wil en dank, tussen hoop en vrees, met voor de boeg een parcours van verleidingen, ambtelijke hindernissen, bureaucratische voetangels, geldgebrek, tegenwerking, uitsluiting, vernederingen. Zeg maar armoe. Nog steeds aan de verkeerde kant van de kloof. Vrienden van vroeger bieden je nieuwe criminele kansen, als je wilt heb je zo weer wat cash. Insluiting. Uitsluiting. Fuck de maatschappij.

Ik begeleide zo’n ex-gedetineerde. Een complexe jongen met een waanzinnige jeugd, verkeerde honden en een buitenaards dag-en-nacht-ritme. Hij wilde wel. Vanuit een achterstandswijk vol geweld en drugs en sociale druk zocht hij een uitweg. Hij pakte een kleine kans, zou zich melden bij een centrum voor werkverschaffing waar gerekruteerd werd voor banen in de asbest-sanering.
Bezorgd wachtte ik hem op, zou hij komen? Ineens was hij er, gekamd en geschoren en met een schoon gestreken hemd. Hij sprak duidelijk, had zich voorbereid, maakte indruk op de werkgever, kreeg prompt een uitnodiging voor een nader gesprek. Hij was zo goed als aangenomen. Er was een brug geslagen tussen uitsluiting en insluiting.
Op de fiets naderhand zong ik luidkeels in de lentezon. Een lach steeg op uit mijn hart en fladderde uitgelaten van mijn mond. Want mijn steentje in de vijver zond positieve rimpels door het universum en niets kon ze tegenhouden of hun effect te niet doen. Ik wist zo zeker dat dit ‘goed’ was. De jongedames hadden ongelijk.

Sindsdien is mijn bruggenbouwer van de radar verdwenen. Hij reageert niet meer op apps en sms’jes. Hij heeft geen contact met die werkgever. Zijn foute honden blaffen niet als ik aanbel bij zijn gribus-huis in die gribus-wijk. Het deprimeert me. De vijver ligt er bewegingloos en donker bij. Hij vraagt: Ben jij naïef? Wat heeft je steentje aangericht? Wat is ‘goed’?
Wat zeg jij, mijn hart?