Aanvaring

IJmuiden. In de duisternis knipperen lichtjes. De navigator achterop legt ze uit aan de roerganger: “Daar, die groene iso, die hou je krap aan bakboord, de groene flits op 12 uur is de zuiderpier, ook aan bakboord houden. We blijven wel zuid van de lichtenlijn.”

Bij de kajuitingang midscheeps leun ik tegen een luchthapper en luister. Boven me klinkt geklapper, het grootzeil kruipt langs de mast omhoog. We motorzeilen naar buiten. De zee wordt onrustig, het groene havenlicht glijdt voorbij, de wacht brengt de boot aan de wind. Grommend rolt de genua uit – een bleek vlak in het donker. Achterop galmt metalig een lier, het voorzeil komt tot rust. Mandate, een Swan 47, helt en bruist zuidwaarts. De deining is laag en zwart.

IMG_1936

Krap een week schipper ik deze klassieker. Elke dag was leerzaam: de nachtelijke tocht van Stellendam naar Den Helder, zeilen met alleen de stagfok bij 35 knopen wind, op het IJsselmeer zonder gps ondieptes vrijzeilen, met binnenvaarders stoeien bij het kruisen in de Pampusgeul. En deze nacht over de eb naar Scheveningen. We zijn de laatste die vertrekt van een TipTop-flottielje van vijf jachten. En de grootste; dit wordt een inhaalrace, we willen niet als laatste voor Scheveningen zijn.
Hoeveel weelde kan een zeiler verdragen? Mandate is een zeilbeest. Helling deert haar niet, geen greintje neiging om uit het roer te lopen, hoe schever hoe harder. Niet zoals sommige moderne breedkonters. Niet zo’n nerveuze lellebel op het roer, maar wel trim-gevoelig. En hoog aan de wind snel binnen een heel smal spoor – een verschil van bijna 2 knoop erin of eruit.
Zo zeilen we de nacht in, met voor ons verre heklichtjes van de anderen en boven de duinen achter een wolk bleek licht van de opkomende maan. De zuid-zuidoostelijke wind is zwak, we maken er zelf een lichte koelte van.

Om 22.00 uur ga ik te kooi, zo’n pennendoos van een loodskooi, heel hoog tegen het gangboord, waar je met het schip op zijn kop nog niet uit valt. Ik raak in een onrustige halfslaap, registreer vaag de bewegingen van het schip, het aanklikken van het lampje boven de navigatietafel als iemand op de kaart kijkt, het logboek invult of iets te eten zoekt. Toch moet ik zijn weggezakt…

De aanvaring rukt me uit een diepe slaap. De echo van een enorme klap dreunt na, de boot helt en helt en komt niet terug, klein spul in kastjes en schappen glijdt naar lij, vaat klettert in de gootsteen. ‘God’ schiet het door me heen, ‘hij gaat naar de kelder, ik moet eruit, ik moet naar boven voordat de druk van het water de luiken blokkeert.’ Angst geeft me vleugels. Ik vlieg over het strak gespannen slingerzeil uit mijn kooi. Adrenaline drijft me van houvast naar houvast. “Godverdomme!” De sukkels hebben zitten slapen, een schip uit het ankergebied vlakbij, een viskotter. Klootzakken, weten jullie niet meer wat uitkijk houden is?! De uitgang, de kajuittrap! Een reddingvest? Geen tijd, geen tijd, ik verwacht elk moment een muur van water door het schip. Vloekend en tierend werk ik me omhoog, schuif het luik open, race de trap op…

Daar dringt voor het eerst iets door van de werkelijkheid: De helling is maar klein, de boot ligt stabiel, ik sta in mijn thermo-ondergoed zonder reddingvest in blakend maanlicht aan dek en kijk over de buiskap naar de drie mannen in de kuip. Drie maanbleke gezichten kijken naar me op. Stil.
“Wat heb jij nou?” Vraagt de nachtschipper. “Man, ze konden je tot in Katwijk horen vloeken, wat is er aan de hand?”
“Eh, ik droomde dat we eh… vergingen, een nachtmerrie, sorry.”
“Dat waren die twee hogere golven van daarnet zeker, die gaven een zwiepertje, maar ze stelden niks voor hoor.”

Zittend tegen de luchthapper kijk ik rond. Ik voel me belachelijk. Het is een prachtige nacht: een volle maan barst door wat sluierbewolking en Mandate snijdt door een golvende huid vol zilveren schubben. In de verte liggen vreedzaam wat schepen in het ankergebied. Geen viskotter in zicht. Alles is wel. Behalve mijn verborgen angst die soms losraakt bij een ‘zwiepertje’.